Leegte en stilte

Een kerkgebouw is niet bedoeld als een museum. Leeg maken, stil worden, en je eigen weg vinden...

Regelmatig passeer ik met de auto het voormalig stoomgemaal ‘De Cruquius’. Het staat daar op de grens van het oude land van Holland en het inmiddels ook al weer ruim anderhalve eeuw oude ingepolderde Haarlemmer meer. Uit de geschiedenis weet ik dat de droogmaking van het Haarlemmermeer indertijd op een fenomenale en technisch uiterst moderne wijze ging. Het wegpompen van het water had met honderd windmolens gekund. Maar men koos voor de nieuwste stoomtechniek en samen met de gemalen ‘Leeghwater’ en ‘Lijnden’ deed de ‘Cruquius’ in betrekkelijk korte tijd wat gewenst werd. Dat het uiteindelijk zover kwam, was mede te danken aan de doortastendheid van koning Willem I en de zogenoemde ‘waterwolf’, hetgeen betekent dat het water alsmaar land opvrat. Als het namelijk aan de gemeenten Amsterdam, Leiden en Haarlem had gelegen, waren ze nog aan het discussiëren over de noodzaak van inpoldering. Deze gemeenten hadden alle belang bij deze grote plas water: de talrijke vissers verdienden er hun brood, bijna alle transport ging over het water en bovendien loosden Haarlem en Leiden hun vuile water op het Haarlemmermeer.

De geschiedenis is sindsdien anders gelopen dan de mensen van toen dachten. Het gemaal ‘De Cruquius’ staat er nog steeds, als enige van de drie, als een getuige van lang vervlogen tijden. Daar kom ik later nog op terug. Maar nu eerst die polder. Het Haarlemmermeer - tegenwoordig de Haarlemmermeer - is zich al jaren aan het ontwikkelen tot het centrum van een nieuwe metropool. Schiphol, het oude scheepskerkhof, werd tot één van de grootste luchthavens van Europa. Hoofddorp bouwt maar door en wordt alsmaar groter. In dit deel van Nederland zijn niet meer Haarlem en Leiden belangrijke centra van handel en transport, maar een nieuwe wereldstad waar Amsterdam, Utrecht, Rotterdam en Den Haag zo ongeveer de hoeken van vormen. Het begrip randstad begint steeds serieuzere vormen aan te nemen. Het is de vierde stedelijke agglomeratie van Noordwest-Europa. De intercitytreinen doen de laatste jaren niet meer Haarlem aan. tot spijt en ongenoegen van menige inwoner van die stad. Maar zo werkt de vooruitgang. Nog een halve eeuw verder en Amsterdam en Rotterdam zullen geen rivalen meer zijn maar de noordkant en zuidkant van een Nederlandse metropool. 

Dit zijn fascinerende processen. Wie door Europa reist komt behalve bruisende steden ook altijd oude, ingeslapen stadjes tegen. Tien tegen één dat deze steden in voorbije eeuwen levendige handelscentra waren. Neem bijvoorbeeld de Hanzesteden Hasselt, Zwolle, Kampen en Doesburg. Hoe fraai ook en met hoeveel kunst en vliegwerk ook gerestaureerd en herschapen voor het toerisme, het blijven duffe, saaie plaatsen. Ik kom terug op het stoomgemaal ‘De Cruquius’. In 1933 werd dat gemaal buiten werking gesteld. Het had zijn werk gedaan. Op het nippertje ontsnapte het gemaal aan de sloop toen in 1934 een stichting werd opgericht die het oude gemaal in een museum omtoverde en dankzij de hulp en inzet van velen, weer tot leven wekte. Het behoort nu zelfs tot het werelderfgoed. Waar ik naar toe wil is de soms heftige discussie over het aanhouden of afstoten van kerkgebouwen. Ook die hebben, evenals de stoomgemalen, in vroegere tijden een belangrijke functie vervuld. Mensen groepeerden zich eeuwenlang rond zo’n gebouw tot een geloofsgemeenschap. De toren wees naar boven en diende als oriëntatiepunt bij het reizen buitengaats. Zie dan ook hier eens hoe alles in een periode van een halve eeuw ingrijpend veranderd is. Geloofsgemeenschappen zijn kleiner en schaarser, kerken zijn gesloten, gesloopt of kregen een andere functie. En een grote meerderheid van de huidige Nederlandse bevolking oriënteert zich in haar spirituele behoeften niet meer op de kerktorens letterlijk en het christelijk georganiseerde geloof figuurlijk gesproken. Net als het gemaal ‘De Cruquius’ staan veel kerken in het landschap, als grotendeels lege ruimtes, te getuigen van vervlogen tijden toen mensen nog hun ziel en zaligheid, in vreugde en verdriet aan de kerk en haar dienaren toevertrouwden.

Het springende punt is natuurlijk of wij met het instandhouden van al die kerken niet bezig zijn het stoomgemaal te laten draaien, terwijl veruit de meeste mensen inmiddels al gebruik maken van hogesnelheidstreinen. Binnen de kerk wordt hoog opgegeven van de bijbelse god en de joods-christelijke traditie, maar het is langzamerhand even grote geheimtaal voor jan publiek als het Esperanto waar een gering aantal adepten nog steeds enthousiast over is. We kunnen natuurlijk van de kerk een toeristische trekpleister maken en wie weet houden we daarmee het fraaie gebouw in stand. Maar net als bij die stoomgemalen, werkt dat hooguit bij één van de drie. De andere twee gaan ten onder. En bovendien was de kerk nooit bedoeld als een museum. 

Mijn conclusie: laten we zoveel mogelijk godsdienstige gebouwen in stand houden, want bij Nederland horen kerktorens en kerkgebouwen als getuigen van een oude godsdienstige traditie. Maar we laten de inventaris verder voor wat die is en gaan verder met de leegte. Nou ja, alleen met verhalen over leven en dood en waar we de hoop en het geloof vandaan halen. Opnieuw praten over het leven en de moeilijke en mooie dingen daarvan. En we doen dat in stiltecentra in Haarlem en waar al niet of op de plek waar we samenwonen met anderen. Of ergens langs de weg, in een soort kapelletje voor reizigers. En we laten in de vakanties aan onze kleinkinderen zien hoe wij vroeger de polders droogmaalden en nog heel lang, tot ergens in de 21e eeuw, op de harde banken van statige gebouwen onze godsdienst hebben beleefd.